In onze serie ‘Geloofsgetuigen van de Zwijgende Kerk’, de vervolgde kerk in Oost-Europa in de 20ste eeuw hierbij een portret van de Hongaarse Aartsbisschop Dr Áron Márton (1896-1980) van het bisdom Gyulafehérvar / Alba Iulia, Zevenburgen, Roemenië, slachtoffer van het atheïstische communisme: twintig jaar gevangenis en huisarrest. Hoewel Gyulafehérvár toen nog geen aartsbisdom was, werd hij door Paus Pius XII in 1940 op persoonlijke gronden tot aartsbisschop verheven.

Aartsbisschop Áron Márton werd geboren op 28 augustus 1896 in het Hongaarse Székely-land, in Csikszentdomokos. Zijn ouders hadden een boerderij. In 1915, na het behalen van zijn gymnasiumdiploma, werd hij opgeroepen voor militaire dienst in het Oostenrijks-Hongaarse leger. Tijdens de Eerste Wereldoorlog is hij verscheidene malen gewond geraakt.
Inmiddels was Erdély / Transsylvanië, waartoe Székely-land behoorde, door het Verdrag van Trianon (4 juni 1920) bij Roemenië gevoegd.
Na de oorlog werkte hij onder meer als metaalarbeider in Brassó / Kronstadt (één van de zeven burchtsteden van Zevenburgen). In 1920 begon hij zijn theologiestudies aan het grootseminarie van Gyulafehérvár. Op 7 juli 1924 werd hij door bisschop Gustáv Károly Majláth tot priester gewijd. Hij bekleedde diverse functies binnen het bisdom, onder meer als kapelaan, als theologie-professor aan het grootseminarie van Guylafehérvár  en als professor aan de Universiteit van Cluj-Napoca/ Kolosvár/ Klausenburg (ook één van de zeven burchtsteden van Zevenburgen).

BISSCHOP: Op 28 mei 1938 was bisschop Adolfo Vorbuchner, die eerst co-adjutor was geweest, de emeritus bisschop Majláth opgevolgd. Op 48-jarige leeftijd, op 10 september 1938 overleed deze vrij plotseling. Hierna werd Áron Márton op 24 december 1938 door Paus Pius XI benoemd tot bisschop van Gyulafehérvár. Reeds toen als bisschop sprak hij harde woorden tegen de Roemeense regering in verband met de voorbereidingen op een komende oorlog. In 1940 werd hij door Paus Pius XII op persoonlijke gronden tot aartsbisschop verheven.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden door het Tweede Scheidsgerecht van Wenen (1940) voormalige Hongaarse gebieden, waaronder Székely-land, aan Hongarije terug gegeven; deze werden echter na de oorlog weer bij Roemenië gevoegd. Hierdoor kwam het over en weer tussen de Hongaren en Roemenen tot scherpe represailles.

Bisschop Áron Márton bleef in Gyulaferhérvár, gelegen in het zuidelijk deel van Zevenburgen, dat bij Roemenië was gebleven. Gedurende deze periode heeft hij fel geageerd tegen de deportaties van Hongaarse en Roemeense joden. In 1999 werd hij hiervoor postuum geëerd met de precieuse titel: ‘Rechtvaardige onder de Volken’ door het Yad Vashem instituut te Jersusalem, Israel.
Na de dood van de Hongaarse Kardinaal Jusztinián György Serédi OSB (1884 – 29 maart 1945), Prins Primaat van Hongarije en aartsbisschop van Esztergom, wilde Paus Pius XII Áron Márton als zijn opvolger benoemen. De Hongaarse communistische partij was fel gekant tegen deze benoeming. Uiteindelijk werd toen de bisschop van Veszprém, József Mindszenty (1892-1975), benoemd tot Prins Primaat en aartsbisschop van Esztergom.

Aartbisschop Áron Márton bleef ook na de Tweede wereldoorlog strijden voor vrijheid van godsdienst en voor de mensenrechten. Dat maakte hem tot een uitgesproken vijand van de Roemeense communistische partij en van het dictatoriale regime dat in 1947 de macht had overgenomen. In 1948, na de eenzijdige opzegging van het Concordaat met het Vaticaan,  begon een 40-jarige terreur tegen de katholieke kerk, in het bijzonder tegen de katholieke Hongaarse minderheid in Roemenië.
Tot 1958 was Roemenië een communistische staat onder direct militair en economische bestuur van de Sovjet-Unie. Roemenië verarmde door zeer ruime herstelbetalingen aan de Sovjet-Unie. De onderdrukking was meedogenloos, geen enkele oppositie werd geduld. Volgens schattingen verloren tussen 1948 en 1964 minstens 200.000 burgers hun leven in gevangenissen en strafkampen.

ZIJN ARRESTATIE: In juni 1948 werd Mgr Áron Márton gearresteerd en tot levenslange gevangenisstaf veroordeeld. Na de dood van de Sovjet-dictator Jozef Stalin in 1953 werd zijn straf wat milder; in 1955 kreeg hij huisarrest opgelegd in zijn eigen woning te Gyulafehérvár. De Securitate, de Roemeense geheime dienst, controleerde alles, zijn post en onder meer ook wie bij hem op bezoek kwam. Enige malen is toen nog een aanslag op hem gepleegd.

ZIJN VRIJLATING: In 1965 was de Roemeense dictator Gheorghiu-Dej overleden. Nicolae Ceauşescu nam toen de macht over en probeerde gaandeweg een onafhankelijker koers binnen het Sovjetblok te varen. Echter, de onderdrukking bleef en de macht van de Securitate werd verder uitgebreid.
In 1967 werd door toedoen van de Oostenrijkse Kardinaal Franz König zijn huisarrest opgeheven. Hij kon toen zijn bisschoppelijke functies weer uitoefenen. Op zijn pastorale reizen door zijn bisdom werd hij steeds begeleid door trouwe katholieke vrijwilligers van Székely-land.
Op 29 september 1980 is hij overleden en werd hij opgevolgd door zijn coadjutor bisschop Antal Jakab (1909-1993, residerend bisschop van 1980 tot 1990).
Hij ligt begraven in de crypte van de St Michael’s kathedraal van Gyulafehérvár. Het aartsbisdom van Gyulafehérvár is inmiddels een zaligverklaringsproces begonnen. Op zijn voorspraak zouden reeds twee personen genezen zijn.

Hiernaast staat zijn bisschopswapen met zeer interessante motieven: de ster rechtsboven verwijst naar de Ster van Bethlehem, de Verlosser is geboren, met in het midden het Christusmonogram. De zon en de maan in de blauwe band verwijzen naar de streekvlag van Székely-land, een motief dat bij meerdere bisschoppen die hiervandaan komen, voorkomt (o.a. ook in het bisschopswapen van Kardinaal Péter Erdö van Esztergom-Budapest], de dennenboom verwijst naar Transsylvanië.