In deze serie treft U portretten van slachtoffers van het dictatoriale regime van de Russische Tsaren gedurende de Poolse delingen (1772 tot 1918). In de periode, dat door onderling gekrakeel van de Poolse Szlachta (Poolse adel) het Pools-Litouwse Gemenebest werd verdeeld onder Rusland, Pruisen en Oostenrijk (resp. in 1772, 1793 en 1795) zijn zowel pater Jozef Kalinowski als aartsbisschop Zygmunt Szczęsny Feliński (1822-1895) geboren in het Russische deel van Polen. Beide hebben in Sint-Petersburg gestudeerd, beide waren ieder op een andere wijze betrokken bij de grote Poolse Januari-opstand te Warschau van 1863, beide zijn hiervoor door de Russische Tsaar Alexander II (regeerde van 1855-1881) voor jaren verbannen naar Siberië gestuurd. In hoeverre beide elkaar in Warschau hebben gekend is niet bekend.

PATER RAFAEL met burgerlijke naam Józef Kalinowski, is geboren uit Poolse ouders op 1 september 1835 te Vilnius. Hij is opgegroeid is een goed gelovig katholiek gezin. Zijn vader was leraar aan een middelbare school, waar de jonge Józef ook naar toe is gegaan. Hij bleek bijzonder begaafd te zijn. Omdat door de Tsaren in dit 'Pools-Litouwse' gebied universiteien verboden waren, was hij eigenlijk wel verplicht om hiervoor naar Sint-Petersburg te gaan. Hij kreeg geen plek op de Ingenieuersopleiding en koos in 1853 tenslotte (met wat tegenzin) voor de Militaire Academie te Sint Petersburg, waaraan hij in 1857 afstudeerde.

JANUARI-OPSTAND VAN 1863: In 1862 volgde zijn bevordering tot kapitein-majoor in de generale staf van het Keizerlijke Russische leger. Daaruit neemt hij ontslag, als in Warschau in 1863 de grote Januari-opstand uitbreekt. Er wordt een dringend beroep op hem gedaan om zitting te nemen in de Voorlopige Poolse Regering. Hij wordt minister van defensie voor de regio Vilnius. Na het mislukken van de opstand wordt hij door de Russische gouverneur van Vilnius als een zgn gedeserteerde Russische officier ter dood veroordeeld, maar onder politieke druk [men wilde geen Poolse martelaar van hem maken] wordt deze straf in 1864 uiteindelijk omgezet in 10 jaar dwangarbeid. Met andere lotgenoten moet hij gedeeltelijk te voet, gedeeltelijk per schip naar de zoutmijnen in Siberië, waar hij te werk wordt gesteld. Te midden van die barre ellende komt daar zijn ommekeer tot God, zoals hij later beschrijft. Reeds daar toont hij zijn grote zorg om de medemens. Na zijn strafperiode wordt hij in 1873 verbannen naar buiten het Russische Keizerrijk. Hij moet afscheid nemen van zijn familie in Vilnius. Een korte periode is hij huisleraar/tutor voor de ziekelijke zoon van een Poolse edelman, de jonge prins Augustus Czartoryski, in welke functie hij door Europa toert en onder meer enige jaren in Parijs verblijft. Daar ontplooit hij diverse activiteiten en helpt hij Poolse ballingen, die na de Januari-opstand van 1863 hun vaderand zijn ontvlucht.

INTREDE BIJ DE KARMELIETEN: Als zijn pupil intreed bij de paters Salesianen, besluit hij in te treden bij de ongeschoeide Karmelieten (o.c.d.). Deze zijn in het Russische deel van Polen verboden. In 1877 treedt hij te Linz in bij de Oostenrijkse Karmel onder de naam Rafael van de Heilige Jozef. Die naam "van de Heilige Jozef" heeft niets te maken met zijn eigen doopnaam, maar met het klooster Sint Jozef, dat mede is gesticht door St Theresia van Avila. Hij volgt zijn theologiestudie in Györ (thans Hongarije) en in 1882 wordt door de aartsbisschop van Kraków tot priester gewijd. Zijn leven offert hij voor de bekering van Rusland. Kalinowski werd uiteindelijk provinciaal voor de Poolse provincie van de Karmelieten. Hij stichtte diverse kloosters en een school te Wadowice. Zijn vele verdiensten gelden niet alleen de Karmel: als zielzorger, maar vooral als biechtvader is hij voor zeer velen hun geestelijke leidsman. Op 15 november 1907 is hij is gestorven te Wadowice, de geboorteplaats van Paus Johannes Paulus II. Voor de jonge Karol Wojtyla was hij een groot voorbeeld. Pater Rafael Kalinowski werd door Paus Johannes Paulus II in 1983 te Kraków zaligverklaard. Zijn heiligverklaring volgde later in 1991 te Rome. Zijn relieken bevinden zich in de kapel van het Karmelietenklooster te Czerna, nabij Wadowice. Zijn feestdag is op 15 november.