sl-hongarije-01.jpg

St. MARTINUS  VAN  TOURS (ca. 317-397) Romeinse gardeofficier, monnik, bisschop, apostel van Frankrijk

In 2017 viert de Hongaarse bisschopsstad Szombathely, de oudste stad van Hongarije, gelegen in westelijke deel van Hongarije, grensplaats met Oostenrijk, dat een van haar beroemdste inwoners, St. Martinus 1700 jaar geleden daar werd geboren.

Volgens oude bronnen is Szombathely in 43 AD door de Romeinen gesticht. Het heette toen Colonia Claudia Sabariensium, gesticht door Keizer Claudius (keizer van 41 tot 54 AD).  Later werd de naam ingekort tot Savaria. In de derde eeuw was het de hoofdstad van de Romeinse provincie Pannonia prima, een keizerlijke residentie met onder meer paleizen, een amphiteater en een Mithras-tempel, een belangrijk knooppunt van Romeinse handelswegen. Destijds was daar toen al een bloeiende Christelijke gemeenschap, die later door invallen van de Hunnen o.l.v. Attila de Hun (bijnaam, betekent 'Vadertje', rond 450 AD) is vernietigd. Door de eerste Hongaarse koning, St Stephanus, werd dit gebied toegevoegd aan het in 1009 opgerichte bisdom Györ (Du: Raab). Met toestemmming van Paus Pius VI maakte kezerin Maria Teresia Szambathely (Du: Steinamanger) op 17 juni 1777  tot zelfstandig bisdom. Sinds 31 mei 1993 is Szombathely een suffragaan-bisdom van het aartsbisdom Veszprém. De huidige bisschop Dr András Veres, afkomstig van het bisdom  Eger en door de heilige paus Johannes Paulus II op 6 januari 2000 tot bisschop gewijd, is de huidige voorzitter van de Hongaarse bisschoppenconferentie.

St. Martinus zou ca. 317 in Savaria zijn geboren uit Romeinse ouders. Op 15 jarige leeftijd nam hij dienst in het Romeinse leger. Als officier bij de keizerlijke garde werd hij in 334 gelegerd in Amiens. Martinus, wiens naam verwijst naar de Romeinse oorlogsgod Mars en “strijder” betekent was zeer geliefd bij zijn collega’s en was altijd bereid om te helpen. Het bekendste verhaal is wel dat hij op een koude winterdag zijn mantel met zijn zwaard doormidden kliefde en aan een arme bedelaar gaf. In de nacht daarop verscheen Christus hem in een droom. Dit bracht heem ertoe zich in dienst van God te stellen. Toen zijn drie-jarige diesntcontract voorbij was, vertrok hij naar Poitiers om priester te worden. Na enige tijd monnik te zijn geweest werd bij op aandraang van het volk tot bisschop van Tours benoemd.

St Martinus is onder meer de patroon van de Nederlandse steden Utrecht, Groningen en Sneek. Veel Nederlandse dorpen dragen de naam van St Martinus. Zijn feestdag 11 november wordt uitbundig gevierd. Wij weten relatief veel over St Martinus (bij ons vaak Sint-Maarten genoemd)  omdat een van zijn naaste volgelingen, Sulpicius Severus, kort na zijn dood een hagiografie over deze heilige heeft geschreven met heel veel wonderlijke verhalen.

  • Slachtoffers van het communisme
  • József Kardinaal Mindszenty (1892-1975) aartsbisschop van Esztergom, Prins-Primaat van Hongarije
  • Bischop János Scheffler (1887-1952), bisschop van Szatmár
  • Bisschop Vilmos Apor (1892-1945), bisschop van Győr
  • Bisschop Zoltán Lajos Meszlényi (1892-1951), hulpbisschop van Esztergom
  • Bisschop Szilárd Ignác Bogdánffy (1911-1953), bisschop van Oradea
  • Priester János Brenner (1931-1957) van het bisdom Szombathely
     

Na 1945 werd de Katholieke Kerk in geheel Oost-Europa door de communistische regiems zwaar onderdrukt. De Kerk heeft van 1945 tot 1989, toen de Berlijnse muur viel, daar veel offers moeten brengen. In Hongarije werd op 8 februari 1949 de Hongaarse kardinaal József Mindszenty na een kort showproces tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld. Daarna werden bijna al de katholieke scholen onteigend en de kloosterorden opgeheven. In juni 1950 werden op een nacht duizenden priesters en religieuzen opgepakt, in de gevangenis gezet of naar strafkampen gestuurd. Mei 1951 volgde de gevangenneming en veroordeling van de aartsbisschop van Kalocsa, Mgr József Grösz.
 

József Kardinaal Mindszenty, aartsbisschop van Esztergom, Prins-Primaat van Hongarije (29 maart 1892 – Wenen 6 mei 1975)

Op 8 februari 1949 werd Kardinaal Mindszenty na een kort showproces tot levenslange vrijheidsstraf veroordeeld. Ondanks de vele internationale protesten van zowel regeringen als van kerkelijke zijde tegen dit proces werd het vonnis niet gewijzigd. Op het einde van de Hongaarse opstand (23 oktober - 4 november 1956) kreeg hij asiel op de Amerikaanse ambassade in Budapest. Onder druk moest hij in 1971 deze ambassade verlaten en naar het buitenland vertrekken.

József Mindszenty werd op 29 maart 1892 als József Pehm geboren als de oudste van zes kinderen van János Pehm en zijn vrouw Borbála Kovács. Na de lagere school in zijn geboorteplaats Mindszent ging hij in 1903 naar het gymnasium in Szombathely. Hierna ging hij in 1911 naar het priesterseminarie in Szombathely. Op 12 juni 1915 werd hij door bisschop János Mikes tot priester gewijd. Hij was eerst kapelaan in Felsőpaty, waar hij zijn boek ‘De Moeder’ schreef. Vanaf 26 januari 1917 was hij godsdienstleraar aan het gymnasium in Zalaegerszeg.

Op het einde van de Eerste Wereldoorlog kwam op 25 oktober 1918 de liberaal-socialist Graaf Mihály Károly de Nagykároly (de ‘Rode Graaf’) aan de macht, als voorzitter van de revolutionaire Hongaarse Nationale Raad. Begin november werd hij nog door koning Karel IV tot minister president benoemd, waarop hij op 16 november de Democratische Republiek Hongarije uitriep. In tijdschrift-artikelen bekritiseerde Mindszenty de linksgerichte regering. Daarop werd hij op 9 februari 1919 gearresteerd en in het bisschopshuis van Szombathely onder huisarrest geplaatst met een spreekverbod. Op 15 mei werd hij vrijgelaten. Intussen was de regering door de communist Belá Kun overgenomen en de Hongaarse Radenrepubliek uitgeroepen, die van 21 maart tot 6 augustus 1919 zou duren, met onder meer Mátyás Rákosi (eig. Mátyás Rosenfeld) en Imre Nagy als volkscommissarisen, totdat Admiraal Miklós Horty vanuit Zevenburgen Belá Kun kon uit Budapest kon verjagen. Na het mislukken van deze communistische coup gingen Belá Kun, Mátyás Rákosi en Imre Nagy naar de Sovjet-Unie; Belá Kun werd in 1939 door Stalin geliquideerd; de andere twee kwamen in 1945 samen met het Rode leger terug naar Hongarije. Admiraal Miklós Horthy de Nagybánya, van protestande landadel (1869 – Portugal 1957) werd door de nationale vergadering tot Regent van het herstelde Koninkrijk Hongarije benoemd. Hij zou Regent blijven tot 1944 toen Hongarije door de Duitsers werd bezet. Bij het Verdrag van Trianon (4 juni 1920) verloor Hongarije 71% van zijn grondgebied aan zijn naburen aan Roemenië, TsjechoSlowakije, Joegoslavië en Oostenrijk en 3,3 miljoen van zijn inwoners. Dit Dictaat van Trianon was eenenorme schok voor de Hongaarse maatschappij. Een stroom vluchtingen uit de bezette gebieden kwan op gang en hebben jarenlang onder meer in treinwagons bij Budapest gewoond. Het Trauma van Hongarije heeft het politieke handelen van generaties bepaald.

József Mindszenty werd pastoor in Zalaegerszeg en ontplooide daar veel activiteiten, onder meer voor de verarmde bevolking. Naar aanleding van de samenwerking van Hongarije met de As-mogendheden liet hij in 1941 zijn naam Pehm veranderen in Mindszenty naar zijn geboortedorp. Op 3 maart 1944 werd hij door Paus Pius XII benoemd tot bisschop van Veszprém. Inmiddels was Hongarije door de Duitsers bezet: wegens hulp aan de vervolgde Joden namen ze hem samen met andere priesters op 27 november 1944 gevangen. Toen de Duitsers zich in april 1945 terugtrokken, kwam hij vrij.

Op het einde van de Tweede Wereldoorlog werd Hongarije een slagveld tussen het Duitse en het oprukkende Rode leger, dat barbaars te ging. Achter het Russche front namen de communisten het heft in handen: kerkelijke groederen werd genaast en nagenoeg alle landbouwbedrijven in Oost-Hongarije werden gecollectiviseerd. De boeren werden zonder bron van inkomsten van hun land gejaagd. Het episcopaat protesteerde heftig tegen deze wandaden en tegen de brute moord op 2 april 1945 op bisschop Vilmos Apor van Győr door sovjet soldaten.

Na het overlijden van Kardinaal Jusztinian Györg Serédi (op 29 maart 1945, slechts 60 jaar oud )  werd bisschop József Mindszenty door Paus Pius XII tot aartsbisschop van Esztergom benoemd en werd daardoor Primaat van Hongarije. In Hongarije had tot dan toe de Primaat van Hongarije ook staatsrechtelijk een functie, hij was na de koning de tweede man van het landsbestuur. Op 18 februari 1946, feest van Sint-Petrus-Stoel, werd hij tot kardinaal gecreërd. Voor zijn volk in nood probeerde hij buitenlandse hulp te krijgen. Van de nieuwe communistische machthebbers eiste het voltallige episcopaat vrijheid van godsdienst en onderwijs. Het stalinistische regiem van Mátyas Rákosi begon een lastercampagne tegen kardinaal Mindszenty. Tenslotte werd hij in de nacht van 26 december 1948 gearresteerd. In de weken tot het showproces werd hij zwaar mishandeld en met verschillende chemische stoffen behandeld om zijn wil en geest te verzwakken. Op 8 februari 1949 werd hij tot levenslange vrijheidheidstaf veroordeeld.

Tijdens de Hongaars opstand (van 23 oktober tot 4 november 1956) werd hij bevrijd; toen op 4 november het sovjet-leger de opstand bloedig neersloeg, werd hem asiel aangeboden op de Amerikaanse ambassade in Budapest, staat aan het Vrijheidplein! in Budapest. Op aandringen van de Heilige Stoel en naar wordt beweerd nog meer onder druk van de Amerikaanse president Rixard Nixon moest hij daar op 28 september 1971 vertrekken: in het diepste geheim, ‘s- nachts per auto naar Wenen en vandaar per vliegtuig naar Rome. Later vestigde hij zich in het Hongaarse seminarie Pázmáneum in Wenen. Vandaar bracht hij vele bezoeken aan zijn geliefde Hongaren in Amerika en Australië. In die periode werkte hij ook zijn memoires, dat in 1974 verscheen. Ondanks alle toezeggingen van de Heilige Stoel werd hij op 2 februari 1974 met emeritaat gestuurd en werd in Esztergom een opvolger benoemd. Overleden op 6 mei 1975 werd hij aanvankelijk begraven in de Oostenrijk-Hongaarse bedvaartsplaats Mariazell, bij Wenen.

Na de omwenteling van 1989 verklaarde de Hongaarse regering het proces van 1949 als ongeldig. Daarna werd hij plechtig herbegraven in de crypte van de kathedraal van Esztergom. In 1993 werd door Michael von Habsburg-Lotharingen als president van de Minszentystichting zijn zaligverklaringsproces opgestart.
 

Bisschop – martelaar János Scheffler (1887-1952)

In zijn eigen bisschopsstad Szatmár, Zevenburgen, nu Roemenië, werd de Hongaars-talige bisschop János Scheffler op zondag 3 juli 2011 als martelaar zalig verklaard. Hij was op 23 mei 1950 gearresteerd door de Securitate, de geheime politie van het Roemeense, communistische bewind. Na zware mishandelingen overleed hij op 6 december 1952 in de Jilava-gevangenis van Boekarest. Pas in 1965 werden zijn stoffelijke resten vrij gegeven en overgebracht naar de kathedraal van Szatmár. Zijn herdenking is op 6 december. Bisschof János Scheffler werd geboren op 29 oktober 1887 in het Hongaarse Kálmánd, nu Camin geheten. Hij deed zijn theologische studies in Budapest. Op 6 juli 1910 werd hij in Szatmár tot priester gewijd. In 1912 behaalde hij te Rome zijn Doctoraat Kerkelijk Recht. Door de grote politieke veranderingen op het einde van de Eerste Wereldoorlog (Verdrag van Trianon, 4 juni 1920) werd Zevenburgen, waar onder Szatmár, Roemeens grondgebied. Na diverse functies werd hij op 26 maart 1942 bisschop van Szatmár, welks grondgebied van 1940 tot 1944 weer bij Hongarije hoorde; hij werd toen tevens administrator van het bisdom Oradea. De bisdommen Szatmár en Oradea werden in 1948 samengevoegd, doch in 1982 weer gesplitst. Szatmár werd in 1944 door het Rode Leger bezet, waarna de terreur begon. Na de annulering van het concordaat op 1 augustus 1948 begon de 40-jarige communistische terreur tegen de Katholieke kerk; de Grieks-Katholieke kerk werd bij decreet opgeheven en al haar goederen werden onteigend. In die periode van augustus 1948 tot de val van dictator Ceauşescu, december 1989, stierven ook zes Grieks-Katholieke bisschoppen en 1405 priesters en religieuzen, vaak na zware mishandelingen, in gevangenissen en strafkampen: Roemenië kan terecht een land van martelaren genoemd worden.


Bisschop Vilmos Apor (1892-1945)

Bisschop van Győr. Op het einde van Tweede Wereldoorlog was de stad Győr frontstad tussen het zich teruggtrekkende Duitse leger en het oprukkende Rode leger. Toen de Russen de stad bezetten, werd er gemoord en geplunderd. De toenmalige bisschop van Győr, Mgr Vilmos Apor, hield in zijn bisschopshuis een aantal vrouwen voor de Russen verborgen. Omdat hij geen toestemming gaf om deze weg te voeren,  werd hij ter plaatste op 2 april 1945 door Russische soldaten dood geschoten. Hij was pas vier jaar bisschop. Geboren op 29 februari 1892 in Segesvár, Zevenburgen (thans Roemenië) geboren, werd hij op 24 augustus 1915 tot priester gewijd. Januari 1941 werd hij door paus Pius XII benoemd tot bisschop van Győr. Op 24 februari 1941 is hij door de toenmalige aartsbisschop van Esztergom Jusztinán Györg Kardinaal Serédi OSB (1884- 29 maart 1945) tot bisschop gewijd met als co-consecratoren bisschop Gyula Glattfelder (1874- 30 augustus 1943) van Csanád (het gebied van Banat rond Temesvár) en bisschop Gyula Gzapik (1887-1956) bisschop van Veszprém. Pas na de omwenteling van 1990 kon een zaligverklaringsproces gestart worden. Dit resulteerde in de zaligverklaring van bisschop Apor als martelaar op 9 november 1997.


Bisschop – martelaar Zoltán Lajos Meszlényi (1892 – 1951)

Deze is op 31 oktober 2009 als martelaar zalig verklaard. September 1937 werd hij hulpbisschop van Esztergom en was de naaste medewerker van Z.Em. Jusztinián György Kardinaal Serédi (+29 maart 1945) en later van Z.Em. József Kardinaal Mindszenty (die op 26 december 1948 is gearresteerd). Op 29 juni 1950 werd Bisschop Meszlényi door de communistische machthebbers gearresteerd en zonder vorm van proces naar het strafkamp Kistarcsa overgebracht, waar hij op 4 maart 1951 aan ontberingen is overleden. Zijn dood is drie jaar geheim gehouden. “Deze nieuwe zalige is een van vele slachtoffers van het stalinistische regime,” aldus Z.Em. Péter Kardinaal Erdő van Esztergom tijdens de zaligverklaring in Esztergom, Hongarije.


Bisschop – martelaar Szilárd Ignác Bogdánffy

Hij werd op 21 februari 1911 geboren in Feketetó, Torontál district, Hongarije. In 1925 verhuisde de familie naar Temesvár, district Bánát. Na de middelbare school ging hij naar het Hongaarse seminarie van Oradea. Op 29 juni 1934 werd hij priester gewijd. Na verdere theologie studies in Budapest werd hij professor aan het seminarie van Oradea. Na de oorlog begon er door het communistische bewind een straffe campagne tegen de katholieke Hongaren. Na zijn benoeming tot bisschop van Oradea werd hij op 14 februari 1949 in het geheim door de nuntius tot bisschop geconsacreerd. Twee maanden later werd hij gevangen genomen. Na verschillende strafkampen overleed hij uiteindelijk aan de vele ontberingen op 3 oktober 1953. Zijn zaligspreking vond plaats te Oradea op 30 oktober 201


Priester – martelaar János Brenner

Hij werd geboren op 15 december 1931. Hij was de tweede zoon van een ouderpaar, dat uiteindelijk vier zonen zou krijgen. Alle vier werden priester. Hij voltooide zijn priesteropleiding in Györ. Op 19 juli 1955 werd hij, 24 jaar oud, door de bisschop van Szombathely, Mgr Sándor Kovács, tot priester gewijd. Hij werd benoemd in Rábakathely. Omdat hij daar veel voor de jeugd deed, werd hij door de geheime politie bedreigd. Op 23 oktober 1956 brak in Budapest een bloedige opstand uit tegen het communistische regiem en de Russische overheersing. De strijd begon, toen de Hongaarse geheime dienst, de AVO, vanaf de daken begon te schieten op de burgers, die bij het parlement demonstreerden voor meer vrjheid. Deze opstand sloeg snel over naar andere plaatsen in Hongarije. De Vrije Radio Budapest zond oproepen de wereld in om te komen helpen. Tevergeefs. Na 13 dagen strijd werd op 4 november 1956 de volksopstand met behulp van Russische tanks neergeslagen. De communisten onder leiding van een nieuwe, door Rusland gesteunde leider János Kádar waren weer aan de macht. Duizenden burgers werden naar strafkampen gestuurd. Ook de intimidatie van kapelaan János werd scherper. Op 15 december 1957, op zijn 26ste verjaardag, werd hij ’s-nachts door een 17-jarige jongen bij een stervende geroepen. Hij ging te voet de weg van Rábakethely naar Zsida. Onderweg werd hij overvallen en met 32 messteken gedood. Niemand werd indertijd voor deze moord bestraft. Hij ligt begraven in de crypte van de Salesianenkerk van Szombathely. Tot aan de omwenteling van 1989 durfde niemand over de gewelddadige dood van kapelaan János Brenner te spreken. Na het hernieuwde onafhanelijkheid, kon pas op 13 december 1992 op de plaats, waar de moord gepleegd werd, een herdenkingskruis geplaatst worden. Op die plaats werd op 25 augustus 1996 een eenvoudige kapel, genaamd 'De Goede Herder', ter zijner herinnering ingewijd. Op 3 oktober 1999 werd het diocesane proces voor zijn zaligverklaring als martelaar geopend.