sl-polen-01.jpg
Wawel-Kathedraal, Kraków
sl-polen-02.jpg
Dominikanen, Kraków
sl-polen-03.jpg
St-Jan-Kathedraal, Warschau
sl-polen-04.jpg
Militair Ordinariaat, Warschau
sl-polen-05.jpg
Veelo Transport naar Kraków mei 1989

POLEN: land en volk met een grote historie

Polen: de naam van een volk en van een land, dat gelegen is in midden Europa, aan de Oostzee, tussen Duitsland en Oekraïne. Door de eeuwen heen was het land Polen een speelbal van zijn naburen, van de Zweden (de Zweedse zondvloed 1655-1660), van Pruisen, Tsaristisch Rusland en de Habsburgse Oostenrijkers (de drie Poolse delingen van 1772, 1793, en 1795, die duurde tot 1918), van Nazi-Duitland en de SovjetUnie (het Hitler-Stalin-pact met een nieuwe opdeling in 1939) en van 1945 tot 1989 een vazalstaat van de Communistische Soviet-Unie. Sinds 1989 is Polen weer een zelfstandige, vrije republiek met een parlementair stelsel. Het parlement Sejm (460 leden)  en de Senaat (100 leden) worden om de vier jaar gekozen. De president wordt om de vijf jaar door het volk gekozen. De hoofdstad is Warschau, tevens de grootse stad van het land met 1,7 miljoen inwoners. De bevolking telde  in 2007 38,5 miljoen inwoners en heeft nog enige zeer kleine minderheden van Duitsers, Wit-Russen en Oekraïners. De bevolking is voor 90% Rooms-katholiek. Polen is administratief ingedeeld in 16 provincies.


Bekende Poolse steden

  • Warschau (aartsbisdom, na Poznań en Krakau sinds 1596 hoofdstad van Polen, ligt aan de grote rivier de Weichsel),
  • Częstochowa (aartsbisdom, bedevaartsplaats van de Zwarte Madonna in klooster Jasna Góra, lichtende berg),
  • Gdańsk (Duits: Danzig, aartsbisdom, voorheen autonome Hanzestad, gelegen aan de Oostzee, voorname handelsplaats, centrum van de Kasjoebische cultuur, was een autonome Vrije Stad Danzig van 1807-1814 in de Napoleontische periode, en bij de Vrede van Versailles onder patronaat van de Volkenbond Vrije Stad van 1920-1939 met eigen geld, geboorteplaats van de protestbeweging Solidarność, die uiteindelijke leidde tot de val het communistische regiem),
  • Gniezno (eerste bisschopsstad van Polen, nu aartsbisdom, zetel van de Poolse Primas),
  • Katowice (aartsbisdom, vanaf 1920 Poolse stad, van 1953-1956 Stalinogród = Stalinstad, nu hoofdstad van de Poolse provincie Silezië, mijnbouw).
  • Krakau (oude Hanzestad, aartsbisdom, voormalige bisschopszetel van de heilige paus Johannes Paulus II als aartsbisschop Karol Woityła van 1964-1978),
  • Lubliń (aartsbisdom, in 1569 werd hier de Unie van Lublin gesloten, waardoor Polen en Litouwen verenigd werden tot een Gemenbest, heeft de eerste Katholieke Universiteit, KUL, van Polen, heeft stedenband met Tilburg),
  • Olsztyn (Duits: Allenstein, gesticht door de Duitse Ridderorde, aartsbisdom Warmia, Ermland, werkplaats van Nicolaus Copernicus),
  • Poznań (Duits: Posen, aartsbisdom, eerste hoofdstad van Polen, heeft de oudste kathedraal van Polen, de Sint-Petrus en Paulus-basiliek, waarin de eerste Poolse koningen liggen begraven, heeft diverse universiteiten, is jaarbeursstad),
  • Toruń (Duits: Thorn, plaats aan de Weisel, gesticht door de Duitse Ridderorde, geboorteplaats van Nicolaus Copernicus),
  • Wroclaw (oude Hanze stad, Duitse naam Breslau, aartsbisdom, belangrijkste stad van Silezië, hier bevind zich het uit Lviv meegenomen Panorama van de Slag by Racławice van 4 april 1794, tussen Poolse opstandelingen o.l.v. Generaal Tadeusz Kościusko en het Russische leger o.l.v. Aleksandr Tormasov, 15m hoog , en rond 120m),
  • Wadowice (de geboorteplaats van paus Johannes Paulus II als Karol Józef Wojtyła),
  • Wielicka (bekend om zijn zoutmijnen, die nog steeds in bedrijf zijn),
  • Zamość (in 1542 gesticht door de Poolse edelman Jan Zamoyski, die een belangrijk rol heeft gespeeld bij de Unie van Lublin, bezit een prachtig gotisch stadhuis uit de 16de eeuw).

 
Door de eeuwen heen tot nu toe hebben de Hollanders cq de Nederlanders steeds contacten onderhouden met de Polen.


Hanze

Reeds in de middeleeuwen, in de twaalfde en dertiende eeuw onderhielden de Hollanders via het machtige Hanzeverbond, dat meerdere eeuwen een groot handelsmonopolie was in de gebieden van de Noordzee en de Oostzee, contacten met ondermeer Danzig (Pools: Gdansk). Tot die Hollandse Hanzesteden behoorden onder meer Deventer, Bolsward, en Groningen. In de veertiende eeuw zijn veel Hollandse kooplieden en handswerklieden naar Danzig gegaan voor handel en werk. De Hollandse gevels in Danzig zijn daar de stille getuigen van. De neergang van de Hanze kwam door de grotere macht van de vorsten in deze gebieden, met name van de Zweden die de handelsrouten in de Oostzee ging beheersen.. De Hanze kwam feitelijk in 1648 ten einde op het einde van de Dertigjarige oorlog.


Wereldoorlog I

Na de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) kwamen op uitnodiging van de Nederlandse regering veel Poolse mijnwerkers, voornamelijk uit Silezië, in de Nederlandse kolenmijnen van zuid-Limburg werken. Ze vestigden zich onder meer in Kerkrade en Heerlen en omgeving, en bleven er tot nu toe.


Wereldoorlog II

Tijdens de Tweede Wereldoorlog (1939-1945), kreeg Luitenant-Generaal Władysław ANDERS (* 11 augustus 1892, overleden in London 12 mei 1970) na zeer moeilijke onderhandelingen van Dictator Jozef Stalin gedaan, dat de in september 1939 gevangen genomen soldaten weg mochten. Van de ruim 100.000 soldaten kwamen slechts circa 20.000 soldaten vrij. Vanuit Siberië gingen ze te voet naar Perzië. Daar vormde Generaal Anders een nieuw Pools legioen. De tocht ging verder naar Palestina, waar ze op krachten konden komen en verdere traning kregen.
De meeste Poolse officieren (meer dan 22.000) waren eerder door de NKVD in april 1940 geliquideerd, een belangrijke aantal in de bossen van Katyń. Dit werd 13 april1943 ontdekt, toen het gebied rond Smolensk en Katyń in handen kwam van de Duitse Wehrmacht.
Het nieuw gevormde Poolse legioen van Generaal Anders deed mee aan de invasie in Italië. Zeer bekend is de slag om de Benedictijner Aartsabdij van Monte Cassino, dat maandenlang (van januari tot mei 1944) strijdtoneel was en waar veel Poolse soldaten zijn gesneuveld. Daar wordt nog steeds een zeer groot Pools kerkhof in ere gehouden.
De Poolse soldaten hebben ook meegevochten voor de bevrijding van West Europaen, onder meer van Zeeuws Vlaanderen en Breda. In Breda is een Pools Erekerkhof, waar soldaten liggen begraven van de Eerste Poolse Pantserdivisie en van de Poolse Onafhanelijke Parachutistenbrigade. Generaal-majoor Stanisław MACZEK (31 maart 1892 – Edenburgh, Schotland 11 december 1994, 101 jaar oud!) is daar op zijn eigen wens bij zijn soldaten begraven. De parachutisten deden mee bij de vergeefse Slag om Arnhem, dat wederom veel slachtoffers vergde.
Toen in 1939 het Poolse oostelijk front inzakte, konden veel soldaten via Roemenië en Hongarije via Frankrijk naar Engeland ontkomen. Een aantal bleef in Hongarije achter en werden daar bij het Balatonmeer gehuisvest. In diesnt van de Britse RAF deden Poolse vliegeniers mee aan de slag om Engeland, en later bij de bombardementen van Nazi-Duitsland. Een aantal RAF-vliegtuigen met Poolse bemanning zijn helaas boven Nederland neergeschoten.
Na de Tweede Wereldoorlog zijn wegens de Russische bezetting van Polen grote aantallen soldaten in het Westen gebleven, hetzij in Engeland, hetzij in Nederland.


Katyń 10 april 1940-2010

Voor de 70ste herdenking van de massamoorden in Katyń was een herdenking ter plaatse gepland. Echter, vroeg in de morgen van zaterdag 10 april 2010 verongelukte het Poolse regeringsvliegtuug, een Tupolev, nabij het vliegveld van Smolensk, waarin de Poolse delegatie zat. In dit toestel bevonden de Poolse president  Lech Kaczyński, zijn vrouw Maria, de laatste president van de Poolse regering in ballingschap, Ryszard Kaczorowski, zeven generaals, een vice-admiraal, twee legerbisschoppen, zeven aalmoezeniers, leden van de regering, van het parlement en van de presidentiële staf en nog enige prominente figuren, totaal 89 passagiers en 7 bemanningsleden. Onder hen was ook de 81-jarige heldin Anna Walentynowicz, om wie in 1980  de grote staking op de scheefswerf van Gdańsk begonnen is, en die resulteerde in de oprichting van de vrije vakbond Solidarnośč door Lech Walęsa. De omgekomen president Lech Kaczynski is met zijn vrouw Maria bijgezet in een speciale sarcofaag in de koninklijke krypte van de Wawel-Kathedraal van Krakau.
Die 10de april was de 70ste gedenkdag van de massamoord op 22.000 Poolse officieren en intellectuelen, die de NKVD, de geheime dienst van de Sovejet-Unie, in opdracht van Dictator Stalin in 1940 heeft laten verdwijnen. In april 1943 werden in de bossen van Katyń (toen bezet door de Duitse Wehrmacht) 4.2000 officieren teruggevonden, met de handen op de rug gebonden, vermoord met een schot in het achterhoofd. Bij de gevonden documenten was een dagboek, dat eindigde op 10 april 1940. Om de samenwerking met Stalin niet te verstoren wilden zowel Winston Churchill als de Amerikaanse president Roosevelt niet erkennen, dat deze moorden door de Russen waren gedaan. Op zeer indringende wijze heeft de Poolse cineast in 2007 een film over deze liquidaties gemaakt. Zijn vader was een van de vele slachtoffers. Men is nog steeds op zoek naar andere massagraven van deze vermoorde officieren.


De staat Polen

Volgens historische bronnen kan men de oprichting van Polen bepalen in 966, toen Vorst Mieszko I, hertog van Pommeren (ca. 935-25 mei 992)  van de Piasten-dynastie zich op 4 april 966 in Regensburg liet dopen. Hij stichte een kerk in Gniezno, dat sindsdien als hoodzetel van de Katholieken Polen wordt beschowd. Vorst Mieszki I was leenheer van de Duitse keizer Otto.
Zijn zoon, Boleslav I Chroby (Boleslav de Koene, 966-1025), kwam herhaaldelijk in strijd met de Duitse keizer. Met steun van Paus Johannes XIX riep hij zich in 1024 tot koning uit, en vestigde daarmee een onafhankelijk koninkrijk. Hij verenigde Groot-Polen (gebied rond Poznan), Klein-Polen (gebied rond Krakau), Mazovië (huidige noordoosten van Polen, Silezië en Pommeren.
 
Een grote dreiging voor de Litouwers en de Polen waren de Ridders van de Duitse Orde. Na het debacle van Palestina zochten ze een nieuw werkterrein, de bekering van de Pruzzen, een Baltische stam die veel strooptochten hielden.  Met toestemming van de toenmalige paus vestigde zij zich in Pommeren, waar zij een machtig fort, Marënburg, bouwden. De Ridders van de Duitse Orde veroverde steeds meer gebied en werden zo een grote dreiging voor Polen. Uiteindelijk werd in een grote veldslag bij Grunwald/Tannenberg op 15 juli 1410 het conflict beslecht: De Duitse Orde onder Grootmeester Ulrich von Jungen stond tegenover een gezamenlijk Pools-Litouws leger met Tataarse hulptroepen onder aanvoering van de Pools-Litouwse vorst Wladislaus II Jagiello (Vilnius 1351-Gródek 1434). Wladislaus II is de laatste heidense Grootvorst van Litouwen. Door zijn huwelijk met Koningin Hedwig van Polen (Jadwiga), dochter van Lodewijk I van Hongarije en Polen, werd hij koning van Polen. Hoewel Grootmeester Ulrich von Jungen en vele ridders waren gesneuveld waardoor hun grote macht was gebroken, ging de strijd noch vele jaren verder. Na de inname van kasteel Mariënburg werd de zetel verplaats naar Koningsbergen in Oost-Pruissen (nu Kaliningrad in de Russche enclave).


Unie met Litouwen

Door de Unie van Kreva (1385) werden Polen en Litouwen met elkaar in een personele unie verbonden. De heidense Groothertog Jogaila (Vilnius 1351 – Gródek 1434) zou zich Rooms-Katholiek laten dopen, en zou trouwen met Jadwiga (Hedwig) van Polen (1373-1399), dochter van Lodewijk I van Hongarije en Polen. Door dit huwelijk zou Jogaila, die bij zijn doop de naam Wladyslaus kreeg, koning van Polen worden.
Vanaf 1396 had de Jagiellonen-dynastie de macht in de Pools-Litouwse Unie, die niet alleen Polen en Litouwen, maar ook Letland, Wit-Rusland, Ruthenië, delen van Oekraïne omvatte,  en waren koning van Bohemen en Hongarije. Land- en mijnbouw en handel floreerden. Belangrijke handelsrouten liepen door Polen. De Hanzesteden speelden een belangrijke rol in de economische ontwikkeling van Polen. De 16de eeuw zou voor Polen haar ‘Gouden Eeuw” worden. Polen was toen de grootste staat van Europa. Onder koning Zygmunt I Stary (Sigismund I de Oude 1467-1548) floreerde ook de cultuur, mede door zijn connecties met Italië.
 

Koningin Jadwiga (Buda, Hongarije 1374 – Krakau  1399)

Krakau 8 juni 1997: In de aanwezigheid van circa 90 bisschoppen uit binnen- en buitenland, met name uit Hongarije en Litouwen, circa 700 priesters en 1,6 miljoen gelovigen heeft paus Johannes Paulus II op zondag 8 juni 1997 Koningin Jadwiga heilig gesproken. ‘Gaude, Mater Polonia’, zo begon de paus zijn preek. ‘Geliefd bij het gehele volk, staat U aan het begin van het tijdperk van de Jagiellonen, stammoeder van de dynastie en stichteres van de Jagiello-Universiteit. U heeft lang op de dag van uw heiligverklaring moeten wachten.’
Als tweede dochter van de Hongaarse koning Lajos de Grote (Nagy Lajos, Visegrád 1326 – Nagyszombat/Trana 1382) , werd Jadwiga reeds op jeugdige leeftijd tot ‘koning’ van Polen gekozen. Om Litouwen te kerstenen verbrak zij de verloving met hertog Wilhelm von Stiermarken en huwde zij in 1386 met Jogaila (Jagiello), grootvorst van Litouwen, die zich daarvoor liet dopen en daarbij de naam Wladysław II Jagiello kreeg. Door dit huwelijk werd Litouwen in een personele unie met Polen verbonden. Onder Jagiello werden talrijke oorlogen gevoerd, o.a. tegen de ridders van de Duitse Orde, die in 1410 bij Grunwald/Tannenberg vernietigend werden verslagen. Zijn rijk breidde zich spoedig uit van de Oostzee tot aan de Zwarte Zee. Drie afstammelingen van Jagiello, Ulászlo I en II en Lajos II werden later koning in Hongarije.
Op verzoek van Jadwiga werd de Academia van Krakau in 1397 door paus Bonifatius IX uitgebreid met een theologische faculteit, waardoor deze naar de toenmalige maatstaven universiteit werd. Met al haar financiële middelen heeft zij deze universiteit ondersteund. In de 15de eeuw bereikte deze het niveau van de grootse en bekendste universiteiten van die tijd, de Sorbonne in Parijs of de oudere in Bologna en Padua, werd gelijke met die van Praag (Bohemen) en Pécs (Hongarije). Vele beroemde personen hebben in Krakau gestudeerd en gedoceerd, waaronder Copernicus. Deze universiteit heeft veel bijgedragen aan de Christelijke ontwikkeling van midden Europa. Ook heeft Jadwiga het bisdom Vilnius in Litouwen opgericht en diverse kloosters gesticht in Polen en Litouwen. Na een weldadig leven overleed zij in 1399 op 25 jarige leeftijd. Na haar heiligverklaring werd Jadwiga uitgeroepen tot patrones van Polen.
 

Stefan Batory (1533 – Grodno 1586)

Hij was vorst van het Hongaarse Transsylvanië, en vanaf 1576 de vorst van het Pools-Litouwse Gemenebest, koning van Polen en Grootvorst van Litouwen. Zijn directe voorganger, Hendrik van Valois, de eerst gekozen vorst van het Pools-Litouwse gemenebest was in 1573 koning geworden, maar hij vond, dat hij te weining reële macht had en na enige maanden vertrok hij met stille trom weer naar Frankrijk, waar hij uiteindelijk toch ook koning werd.
Na meer dan een jaar besloot de Sejm verkiezingen uit te schrijven: koningskandidaten waren Keizer Maximiliaan II en Tsaar Ivan IV van Rusland. Meer dan 50.000 edelen kwamen in april 1576 naar Krakau om te stemmen. Keizer Maximiliaan won, maar een machtige groep edelen wilden hem niet en schoven Stefan Batory van Transsylvanië naar voren. Door snel te trouwen met Anna Jagiello kon hij koning worden. Hoewel kort koning heeft hij veel goede zaken kunnen regelen, onder meer stichtte hij te Vilnius een universiteit, naar hem genoemd. Hij voerde drie belangrijk oorlogen tegen Rusland om de noord-oost grens van Polen-Litouwen te beschermen. Zijn regering wordt nog steeds als een van de meest succesvolste gevonden. Hij ligt begraven in de koninklijke krypte van de Wawel-burcht te Krakau.

 

De Zweedse zondvloed (1655-1660)

De Litouwse prins Janusz Radziwill (1612-1655) had zeer veel politieke macht verworven en in feite regeerde hij het Litouwse Groothertogdom. Hij was beschermheer van de protestante godsdienst. In 1655 haalde hij voor eigen gewin de protestantse Zweden naar Polen. Het Zweedse leger onder leiding van Koning Karel X Gustav veroverde nagenoeg geheel Polen, alle grote steden werden verovered en geplunderd. Krakau werd in 1655 door hem ingenomen. Het gehele platteland werd nagenoed uitgemoord, honderden dorpen waren in brand gestoken, vernielde oogsten en totaal geen handelsactiviteiten meer. Volgens nieuwe onderzoekingen (2012) heeft deze invasie meer schade aan Polen berokkend dan de Duitse invasie in de Tweede wereldoorlog. De Zweden zouden 188 steden en dorpen vernietigd hebben, 81 kastelen en 136 kerken. De hele stad Warschau wwerd vernietigd, van de 20.000 inwoners bleven er 2.000 over.
De Zweedse invasie werd tot staan gebracht bij het Klooster van de paters Paulinen van Jasna Góra bij Częstochowa. Daar werden de Zweden voor het eerst verslagen. In de Poolse geschiedschrijving wordt prins Janusz Radziwill verantwoordelijk gehouden voor het einde van de Gouden Eeuw van het Gemenebest. Vanaf die gewonnen slag werden de Zweden langzamerhand teruggedrongen. De overwinning bij Jasna Gora leidde tot de Eed van Lviv  door Koning Jan Kazimierz waarin hij de Madonna bevestigde als de Koningin van Polen.


De Poolse Koning Jan III Sobieski (koning van 1674-1696) en het Beleg van Wenen

Het Beleg van Wenen van 1683 was een nieuwe poging van het Ottomaanse Rijk om de hoofdstad van Oostenrijk, de residentie van keizer Leopold I van het Heilige Roomse Rijk te veroveren en daar een eigen koninkrijk te vestigen. Het Ottomaanse Rijk had in de 16de eeuw de gehele Balkan veroverd en een groot gedeelte van Hongarije en zat al in Buda. In 1529 hadden de Turken onder leiding van Sultan Suleyman al een poging gedaan. In 1681 was de macht van de Oostnrijkse Habsburgers in Hongarije verzwakt door een protestant-Hongaarse opstand. Groot-vizier Kara Mostafa Pasja kreeg toen van Sultan Mehmet IV de opdracht om met een leger van 138.000 man Wenen te veroveren. Het Turkse beleg begon op 14 juli 1683 en eindigde op 12 september. Begin september 1683 arriveerde een grote ontzettingsmacht van 80.000 man met een grote ruitermacht onder leiding van van de Poolse koning  Jan III Sobieski bij Wenen. Op 12 september wist deze troepenmacht in een zeer feele strijd op de Kahlenberg door de verdediging  van de Turken te breken. De hoofdmacht van de Turken sloeg op de vlucht. Het mislukte belag van Wenen wordt door historici gezien als het begin van de ondergang van het Ottomaanse Rijk. In 1684 werd door Paus Innocentius (paus van 1676-1699) een Heilige Liga gevormd voor een gezamelijke strijd van het Christelijke westen tegen de islamitische Turken. De tent van Moestafa wordt bewaard in het museum van de Wawel burcht te Krakau, terwijl de stijgbeugels van Soebieski te bewonderen zijn als votum in het klooster van Jasna Góra te Częstochowa.

 

De Poolse delingen (1772, 1793 en 1795)

Door het Liberum veto was de politieke macht van de vorst zeer beperkt. Machtige Poolse adelijke groeperingen en buitenlandse machten beheersten de politieke arena. Na de rampzalige regering van koning August III, overleden in 1763, werd door Tsarina Catharina de Grote (1762-1796) haar gunsteling Stanislaus August Poniatowski van de adelsfamilie Czartorysk tot koning gekozen. Hij zou de laatste koning van Polen-Litouwen zijn. Aanvankelijk probeerde hij door hervormingen de onbeperkte macht van de adel in te perken, maar dit leidde tot grote onrust bij de buurlanden, die allen baat hadden bij een zwak Polen. Door grote Russische overwinningen in de Russische-Tukse oorlog voelde Oostenrijk zich bedreigd aan de Donau. De Keizerin van Oostenrijk Maria Teresia (1717-1780) wilde gecompenseerd worden met een deel van Polen. Omdat Oostenrijk t.o.v. Pruisen te groot zou worden eiste koning Frederik de Grote  (1712-1786) ook een deel van Polen op. Door dit eerste Delingsverdrag tussen Rusland, Oostenrijk en Pruisen verloor Polen de heft van zijn bevolking en een derde van zijn totale opervlakte. Rusland annexeerde alle gebieden van Litouwen ten oosten van de Dvina en de Dnjepr, een gebied met 1,3 miljoen inwoners. Oostenrijk nam zuidelijk Polen, delen van Podolië en Gallicië met 2 miljoen inwoners. Pruisen moest ten slotte genoege nemen met onder meer West-Pruisen en Ermland. Danzig bleef voorlopig nog in Poolse handen.

Na de Eerste Deling probeerde koning Poniatowski door hervormingen de staat te versterken. Hij beperkte het Liberum veto. Zijn Grondwet van 3 mei 1791 was een zeer vooruitstrevende grondwet, de eerste van Europa. Polen’s buren accepteerden dit niet en vielen het land binnen. Op 23 januari 1793 moest de Poolse Sejm opnieuw gebiedsafstand toestaan. Het grootse deel ging opnieuw naar Rusland: Litouws Wit-Rusland, het westelijk deel van de Oekraïne, een deel van Podolië en Wolynië. Pruisen nam weer een deel van het westen van Polen, met onder meer Danzig, Thorn (Toruń) en Poznan.

Naar aanleiding van deze Tweede Deling brak in 1794 een opstand uit onder leding van Generaal Tadeusz Kościusko. Rusland, Pruisen maar nu ook Oostenrijk grepen in en verdeelde op 24 oktober 1795 de rest van Polen. Generaal Kościusko had verloren en moest naar het buitenland (Zwitserland) uitwijken. De Poolse hoofdstad ging aanvankelijk naar Pruisen. Oostenrijk nam West-Galicië en geheel zuidlijk Polen, met Krakau en Lublin. Einde van de Poolse staat. Na de Derde Deling vertrok koning Poniatowski naar Sint Petersburg, waar hij in 1798 is gestorven. In 1995 werd hij herbegraven in de crypte van de Sint-Janskathedraal in Warschau. Sinds de herwonnen onafhankelijkheid wordt de Derde mei in Polen weer gevierd als een nationale feestdag, de Dag van de Constitutie.

Door Keizer Napoleon werd een klein hertogdom Warschau hersteld, echter van korte duur (1807-1813), met vrije sted Danzig (1807-1815).
Na de nederlaag van Napoleon werd in 1815 bij het Congres van Wenen de kaart van Europa nagoenoeg in de oude staat hersteld. Echter het Hertogdom Polen kwam onder Russisch bestuur, kreeg delen van Pruisen en Oostenrijk, waaronder Warschau. Dit Polen staat bekend als het zgn. Congres-Polen. De Republiek Krakau (1815-1846) werd onder voorwensel dat ze samenspande tegen Wenen, in 1846 door de Oostenrijkers bezet.

 

20ste Eeuw

Bij het Verdrag van Versailles (28 juni 1919) is de hereniging van de drie Poolse delen, die na de Eerste Wereldoorlog onder Maarschalk Józef Pilsudski tot stand kwam, erkend. Niet alle oude delen van het Pools-Litouwse Gemenebest werden daarbij door de nabuurstaten teruggegeven. Het district Danzig werd opnieuw een vrije stad onder beheer van een Hoge Commissaris van de in 1919 opgerichte Volkerenbond. De Vrije Stad Danzig bleef bestaan van 1919 tot 1939, toen het door Nazi-Duitsland werd bezet en kort daarna ingelijfd in het Duitse Rijk. Een nieuwe ramp voltrok zich in 1939: Polen werd september 1939 opnieuw verdeeld, nu door Nazi-Duitsland (inval 1 september 1939) en de communistische Soviet-Unie (inval 17 september 1939), Polen verdeeld onder Hitler en Stalin. In 1945 werd de staat Polen onder zware omstandigheden hersteld, met een grote verschuiving in westelijke richting. Grote delen van Duitsland, die vroeger ooit van Polen waren kwamen nu bij de nieuwe staat, terwijl Polen belangrijke delen aan haar oostzijde verloor aan onder meer Litouwen (district Vilnius), aan Wit Rusland (district Grodno) en aan Oekraïne (een groot gebied rond Liv/Lemberg en Uszhgorod). Deze verschuiving heeft een miljoenen grote vluchtelingen stroom op gang gebracht: van Polen uit oostelijk Polen, bezet door de Sovjet-Unie, naar het moederland en van Duitsers die verjaagd werden uit onder meer Oost-Pruisen, Silezië en het huidige westelijke deel van Polen naar Duitsland.

 

Warschaupact (1955-1991)

Dit pact was een politiek en militair bondgenootschap van de acht communistische landen van Oost-Europa als tegenhanger van de NAVO, die op 4 april 1949 te Washington is opgericht met als leden de USA, Canada en de West-Europese landen. Het Warschaupact werd pas in 1955 opgericht, nadat de Duitse Bondsrepubliek lid van de NAVO was geworden. Het Warschaupact, een initiatief van de Russische partijleider Nikita Chroesjtsjow (leider van 1953-1964), werd op 14 mei 1955 in Warschau getekend door de Soviet-Unie, Albanië, Bulgarije, Roemenië, de DDR, Hongarije, Polen en Tsjechoslowakije. Om het socialisme te verdedigen tegen het liberale kapitalisme werden troepen van het Warschaupact ingezet bij de Hongaarse opstand van oktober 1956 (de liberale socialist en hervormer Imre Nagy versus de Moskou-getrouwe communist János Kádar) . Om een einde aan de zgn. Praagse Lente van 1968 van de liberale socialist Alexander Dubček vielen troepen van het Warschaupact op 21 augustus 1968 Tsjecho-Slowakije binnen. Deelnemers waren toen de Sovjet-Unie onder Leonid Brezjnev (1964-1982), Polen onder Wladysław Gomulka (1956-1970), Hongarije onder János Kádar (1956-1988) en Bulgarije onder de stalinist Todor Zjivkov (1954-1989). De DDR onder de zeer Moskou-getrouwe Walter Ulbricht (1960-1971) deed echter niet mee, maar verscherpte wel de grens tussen Tsjecho-Slowakije en de DDR. Het was Ulbricht die in de nacht van 12 op 13 augustus 1961 de Berlijnse muur liet bouwen ter afgrendeling van de DDR tegenover de Duitse Bondrepubliek. In 1968 deed Roemenië onder Nicolae Ceauçescu (1967-1989) in het geheel niet mee. Wegens de inval in Tsjecho-Slowakije zou Albanië in 1968 uit dit bondgenootschap treden. De DDR trad in 1990 uit toen het zich verenigde met de Duitse Bondsrepubliek. Na de val van de communistische regeringen traden in 1991 Hongarije en Tsjechoslowakije uit, waarna de overige leden het bondgenootschap beëindigden. Op 12 maart 1999 traden Polen, Hongarije en Tsjechie toe tot de NAVO; enige andere landen van het voormalige Warschapact: Bulgarije, Roemenië, Slovenië, Slowakije en de drie voormalige Sovjet-republieken Estland, Letland en Litouwen werden op 29 maart 2004 NAVO-lid.

Van 1945 tot 1990 was Polen een satellietland van de communistische Sovjet-Unie. Op 16 oktober 1978 werd de Krakause kardinaal Mgr Karol Wojtyla tot tot paus Johannes Paulus II gekozen. Dit feit zou een volledige omwenteling veroorzaken, niet alleen in Polen maar indirect ook in al de landen van het zgn. Oostblok en later ook het communisme in de Soviet-Unie ten val brengen. In 1990 kwam de eerste niet-communistische regeing aan de macht en een niet-communistische president, Lech Walesa (president van 1990 tot 1995). In 1999 werd Polen lid van de Navo en in 2004 lid van de Europese Unie.
Op 10 april 2010 is Polen zwaar getroffen door het neerstorten bij Smolensk (Rusland) van het regeringsvliegtuig, waarbij de toenmalig Poolse president Lech Kaszynski en vele Poolse notabelen om het leven kwamen. Dit ongeluk is nog steeds niet opgeklaard, mede door tegenwerking van Rusland die onder meer de originele zwarte dozen niet aan de Poolse onderzoekscommissie wil overhandigen, wat in strijd is met het Verdrag van Chicago (het ICAO-verdrag van 1947).


Viségrad-Vier (1991-heden)

Met Hongarije, Tsjechië, Slowakije vormt Polen sinds 1991 opnieuw een sterk bondgenootschap op allerlei gebied: gezamelijke buitenlandse politiek, speciale handelsverdragen, gezamenlijke infrastructuur van wegen en netwerken en onder meer ook cultuur-uitwisselingen. Deze vier Centraal-Europese landen kwamen voor het eerst op 14 februari 1991 samen in de Hongaarse stad Viségrad, gelegen aan de Donau 80 km boven Budapest. Er werd toen een overeenkomst getekend voor betere samenwerking tussen deze landen op politiek, socuaal-economische en cultureel gebied. De ondertekenaars waren de toenamalige premier van Hongarije, József Antall Jr,  de president van Tsjecho-Slowakije Václav Havel en de Poolse president Lech Walęsa. Sinds de opspliting van Tsjecho-Slawakije in 1993 in twee delen bestaat de groep uit vier landen. Dit verbond gaat historisch terug naar de samenkomsten van 1335 en 1339 in Viségrad (een koninklijk slot aan de Donau, waar toen het Hongaarse hof zetelde) van de koning van Hongarije Károly Robert van Anjou (koning van Hongarije en Kroatië van 1308-1342), de Poolse koning Kazimierz III de Grote (de laatste koning van de Piasten-dynastie, koning van 1333-1370) en de koning van Bohemen Jan van Luxemburg (koning van 1310-1346). Daar werden toen afspraken gemaakt over territoria (Silezië ging naar Bohemen), handelsbelangen en de troonsopvolging in Polen, aangezien Kazimierz III geen zonen had.  De nieuwe Visegrad-Vier kent jaarlijks verschillende samenkomsten op allerlei gebied. Een keer per jaar komen de presidenten en regeringleiders bij elkaar. Het voorzitterschap wisselt per jaar.

 
De katholieke kerk

In Polen heeft de Katholieke Kerk sinds 2004 44 Rooms-katholieke bisdommen, onderverdeeld in 15 kerkprovincies, metropoliet-aartsbisdommen met 29 suffragaan bisdommen en een zelfstandig militair ordinariaat, bestuurd door een bisschop, die de militaire rang van generaal heeft. De aartsbisschop van Gniezno, de oudste zetel van Polen,  heeft de rang van Primas onder de bisschoppen. De aartsbisdommen van Warschau en Krakau worden momenteel geleid door een kardinaal. De Grieks-katholieken hebben in Polen een aartsbisdom in Premysl en een normaal bisdom, een zgn eparchie in Wroclaw-Gdańsk. Nagenoeg alle bisdommen hebben een eigen bisdom.
Enige bisdommen voeren een gezamelijke priesteropleiding, als het aartsbisdom Krakau en het bisdom Bielsko-Żywiec in Krakau; het aartsbisdom Częstochowa en het bisdom Sosnowiec in Częstochowa.
Het bisdom Tarnów, zuid Polen, heeft door de jaren het grootse aantal priesterstudenten. Het aartsbisdom Warschau heeft tevens een zgn. ‘Redemptoris Mater’ seminarie volgens de Neocathecumenale weg. Hier studeren kandidaten vanuit de hele wereld.


Stichting ‘Totus Tuus’

Deze hulpactie is in december 1981 in Maasssluis gestart en heeft aanvankelijk hulp geboden aan families, ziekenhuizen en weeskinderen in tehuizen. In begin 80-ger jaren waren levensmiddelen en andere huishoudelijke goederen in Polen niet of bijna niet te koop of waren zwaar gerantsoeneerd. Met eigen ogen gezien dat de winkels leeg waren en dat de mensen vaak uren in de rij stonden, bij voorbeeld bij de slager, omdat het gerucht ging dat er vlees geleverd zou worden. De kleding- en schoenenwinkels waren nagenoeg

Met een hulpgoederentransport op bezoek in Krakau werd toen gevraagd of ook hulp mogelijk was voor priesterseminaries, die toen nagenoeg geen voedselhulp kregen. Met support van Nederlandse bisschoppen is zowel materële als financiële hulp voor Poolse seminaries georganiseerd. Als we spreken over materiële hulp bedoelen we hulpgoederentransporten met allerlei soorten levensmiddelen, wasproducten, de meest noodzakelijke kleding als ondergoed en sokken en andere zaken, die ook in een normale huishouding nodig zijn, maar dan in grotere hoeveelheden. En later, naar gelang de geldmiddelen dit toelieten, werd ook geholpen met nieuwe bedden en matrassen, nieuwe keukenapparatuur en wasmachines. De onderstaande seminaries zijn in de loop der jaren geholpen:

  • Grootseminarie van het aartsbisdom Krakau, waar ook de studenten van het in 1992 opgerichte bisdom van Bielsko-Żywiec worden opgeleid. Beide groepen, ondergebracht in twee gebouwen, studeren aan de Pauselijke Universiteit Johannes Paulus II, opvolger van PAT, Pauselijke Theologische Academie in Krakau. Het hoofdgebouw is in 1904 in neo-gotische stijl gebouwd door Prins Jan Dukla Maurycy Paweł Kardinaal Puzyna z Kosielko, bisschop van Krakau van 1895-1911 en is in latere jaren enige keren uitgebreid. Krakau was toen bezet door de Oostenrijkers. Dit oude gebouw vergt veel onderhoud.
  • Grootseminarie van het aartsbisdom Częstochowa. Częstochowa is sinds 1992 aartsbisdom; daar studeren nu ook de kandidaten van het in 1992 opgerichte bisdom Sosnowiecz. In de 80-ger jaren is nieuwbouw in Częstochowa gepleegd. De in 1984 benoemde bisschop Mgr Stanisław Nowak, eerder rector van het seminarie in Krakau, heeft het plan van nieuwbouw van zijn voorganger Mgr Stefan Bareła overgenomen. Het oude gebouw in Krakau was te klein geworden. Het in 1925 opgerichte bisdom Częstochowa heeft toen in Krakau een nieuw seminarie gebouwd; de priesterstudie van een aantal bisdommen was toen geconcentreerd aan de theologische faculteit van de Jagiello-universiteit, na de Tweede Wereldoorlog bij PAT in Krakau.
  • Grootseminarie van het Aartsbisdom Warschau-Centrum. Sinds 1992 is de hoofdstad Warschau gesplitst over twee bisdommen: Warschau-Centrum en Warschau-Praga. Het aartsbisdom Warschau-Centrum heeft ook een ‘Redemptoris Mater’-seminarie van de Neocathechumenale weg, waar studenten uit de wereld kunnen studeren.
  • Grootseminarie van het bisdom Kielce, bisdom in 1805 door Paus Pius VII opgericht door  splitsing van het bisdom Tarnów. Hier is in het begin van de tachtiger jaren geholpen met onder meer levensmiddelen, kleding en landbouwapparatuur.
  • Grootseminarie van het bisdom Tarnów, bisdom in 1786 door Paus Pius VI opgericht. Dit seminarie heeft door de jaren het grootste aantal priesterstudenten,  in 2015 194 studenten. Hier is alleen in het begin van de tachtiger jaren geholpen met wat nodig was.
  • Grootseminarie van het bisdom Rzeszów, nieuw bisdom opgericht in 1992: de eerste bisschop, Mgr Kaziemierz Górny, eerder hulpbisschop in Krakau, is toen voortvarend te werk gegaan door vrij direct een eigen seminarie op te richten. De Stichting ‘Totus Tuus’ heeft toen met allerlei zaken in een aantal jaren geholpen.
  • Grootseminarie van het bisdom Koszalin-Kołobrzeg, nieuw bisdom in noord-west Polen opgericht in 1972: de eerste bisschop Mgr Ignacy Ludwik Jeż heeft toen een nieuw seminarie laten bouwen. De Stichting ‘Totus Tuus’ heeft daar pas later enige jaren financiële hulp gegeven en hulp in natura d.m.v. theologische boekwerken.
  • Poolse Provincie van Paters Dominikanen OP: Deze Poolse provimcie omvat het land Polen, Wit-Rusland en Beieren (zuid-Duitsland) en had op drie plaatsen een deel van hun priesteropleiding ondergebracht: hun noviciaat in Poznań, hun Philosophicum (jaar 1-2) in Warschau, en hun Theologicum (jaar 3-6) in Krakau. Sinds enige jaren is de opleiding geconcentreerd in Krakau, terwijl het noviciaat is verplaatst van Poznań naar Warschau. Deze Poolse provincies heeft missies in onder meer Oekraïne (meerdere plaatsen), Letland (Lipeia) en Litouwen (Vilnius) waar ook door de Stichting 'Totus Tuus'geholpen is.
  • Provincie van de Paters Franciskanen, ofm: de provincie Krakau heeft vestigingen in Krakau en Legnica. Hier is in begin van de tachtiger jaaren door de Stichting 'Totus Tuus' geholpen met onder meer levenmiddelen, kleding en huisraad (o.a. bedden en matrassen, dekens)
  • Seminarie voor Late Roepingen, op initiatief van de hulpbisschop van Krakau Mgr Grzegorz Ryś in 2014 opgericht te Krakau en gehuisvest in een voormalig jongensinternaat te Krakau-Mogiła. Kandidaten van 35 jaar of ouder uit geheel Polen zijn hier welkom.
  • Buiten Polen: Na de val van de communistische regiems in de andere landen van het zgn. Oostblok kon de stichting ook daar helpen. Vanaf 1991 helpt de Stichting ‘Totus Tuus’ nog actief met financiële ondersteuning van priesteropleidingen in Litouwen, in Wit-Rusland, in Oekraïne, in Roemenië (het Hongaarse seminarie in Alba Iulia) en heeft geholpen in Letland en voormalig Joegoslavië.

 

Belangrijke Poolse bedevaartplaatsen

  • het Paulinerklooster van Jasna Góra, met de Icoon van de Zwarte Madonna, koningin van Polen (hoofdfeesten 15 en 26 augustus).
  • Dit klooster bewaard zeer veel relieken uit de Poolse geschiedenis, die vorsten en pausen aan de Zwarte Madonna geschonken hebben: de gouden stijgbeugels die Koning Jan III Sobieski gebruikte in de slag bij Wenen (1683) tegen de Turken, de witte sjerp die Paus Johannes Paulus II droeg toen een aanslag op hem werd gepleegd op het Sint-Pietersplein, 13 mei 1981 door de Turk Ali Agca.
  • de O.L.Vrouw-basiliek van Licheń (midden Polen bij Konin), een uitgebreid verhaal ligt hieraan ten grondslag, dat begint met de verschijning van de H. Maria aan een gewonde Poolse soldaat bij de slag van Leipzig 1813 en de verschijning in 1850 van de H. Maria aan een eenvoudige herder, met opdracht zondags naar de kerk te gaan en de H. Rozenkrans te bidden.
  • de O.L.Vrouw van Gidle, nu in het Dominikanerklooster aldaar, centraal Polen. In 1516 heeft een Gidler boer, Jan Czeczek, op de eerste zondag van mei, een 9cm-grote stenen Madonnafiguur met Kindje Jezus, opgeploegd. Sindsdien vereerd in de parochiekerk, later in het klooster vam de Dominikanen, met vele wonderdadige genezingen. Gekroond 19 augustus 1923. Speciale feestdagen: eerste zondag van mei (Mariamaand), eerste zondag na de feestdag H. Hyacinth, OP (17 augustus) en eerste zondag van oktober (Rozenkransmaand)
  • Krakau en Wadowice, plaatsen verbonden met Zr Faustina Kowalska (begraven in Krakau) en de heilige paus Johannes Paulus II (geboren te Wadowice 1920).


Patroonheiligen van Polen

  • H. Bisschop-martelaar Adalbert van Praag, in Polen bekend onder de naam H. Wojciech (in 997 op missietocht door de Pruissen vermoord), patroon van Polen, Bohemen, Hongarije en Pruissen, feestdag 23 april
  • H. Bisschop-martelaar Stanislaus van Krakau (1030- Krakau 1079) tijdens het opdragen van de H. Mis vermoord door koning Boleslaw II Smialy (de stoute, de moedige), feestdag 8 mei
  • H. Hyacinthus, OP (Silezië 1185 - Krakau 1257) , in Polen bekend onder de naam H. Jacek, een van de eerste Dominicanen, wordt beschouwd als de Apostel van Polen, ondernam veel missie-tochten naar Noord Europa en de Oekraïne, ligt begraven in de H. Triniteit-basiliek van de paters Dominicanen in Krakau, feestdag 17 augustus
  • H. Kinga, ook bekend onder de namen Kunigunde of  Zinga (Esztergom, Hongarije 1224 – Stary Sącz, Polen 24 juli 1292), prinses van de Arpád-dynastie, weduwe van koning Boleslaw van Polen, dochter van de Hongaarse koning Bela IV,  nicht van de H. Elisabeth van Hongarije ((+1231, feestdag 17 november), achternicht van H. Jadwiga (Hedwig) van Polen (+1243, feestdag 16 oktober), stichtte het Clarissenklooster in Stary Sącz, pas in 1999 door de heilige paus Johannes Paulus II heilig verklaard, feest- en naamdag 24 juli
  • H.Jadwiga, Koningin van Polen (Buda, Hongarije 1374 - Krakau 1399), was gehuwd met Jogaillo, Grootvorst van Litouwen. Door Paus Johannes Paulus II op 8 juni 1997 heiligeverklaard. Feestdagen 28 februari en 17 juli.
  • H. Kazimierz, prins, zoon van koning Kazimierz IV van Polen (Krakau 1458- Grodno 1484) patroon van Litouwen en Polen, begraven in de kathedraal van Vilnius, Litouwen, feest-en naamdag 4 maart
  • H. Stanislaus Kostka, SJ (1550 - Rome 15 augustus 1568) novice, overleden en begraven in Rome, feestdagen 15 augustus en 13 november.
     

Józef Kalinowski (1835-1907)

Poolse edelman, officier in het Keizerlijke Russische leger, Minister van Oorlog in de voorlopige Poolse regering van 1863, dwangarbeider in Siberië, balling buiten Rusland, Leraar, Ongeschoeide Carmeliet (O.C.D.)
Józef Kalinowski leefde in de periode, dat Polen verdeeld was onder Rusland, Pruissen en Oostenrijk. Hij is geboren op 1 september 1835 in Vilnius uit Poolse ouders. Vilnius behoorde toen tot het Russische deel van het verdeelde Pool-Litowse Gemenbest. Zijn vader, Andrew Kalinowski was leraar wiskunde aan het Instituut voor Edelen (een soort middelbare school) te Vilnius. Zijn moeder Josephine Polońska stierf kort na zijn geboorte. Na de middelbare school volgde hij de School voor Agricultuur. Omdat in die tijd niet-Russen niet verder konden leren, liet hij zich in 1853 inschrijven bij het Keizerlijke Russische leger. Zo doende kon hij een opleiding volgen aan de Ingenieurs Academie in St Petersburg. In 1856 werd hij gepromoveerd tot Tweede Luitenant. In 1857 afsluiting van zijn genie-studie. Van 1858-1860 werkte hij als ingenieur aan de Odessa-Kiev-Kursk-spoorwegen. In 1862 werd hij gepromoveerd to Kapitein-Majoor en gestationeerd in Brest (nu Wit Rusland).

 

De Januari-Opstand

Op 22 januari 1863 begint in de door Rusland bezette gebieden van het voormalige Pools-Litouwse Gemenebest (Polen, Litouwen, Wit-Rusland, Letland, delen van de Oekraïne en West-Rusland) een opstand tegen het Russische Keizerrijk, een zeer langdurige guerilla-opstand, die tot ver in 1865 zou duren en zeer vele slachtoffers zou eisen. Aanleiding was de dienstplicht voor jonge Poolse mannen in het Russische leger. Wegens die opstand nam hij ontslag uit het Russische leger, omdat hij als Pool niet tegen eigen volk wilde vechten. Hij werd Minister van Oorlog in de Voorlopige Poolse Regering, gestationeerd in Vilnius. Echter op 24 maart 1864 werd hij door de Russische autoriteiten gevangen genomen. Aanvankelijk wegens desertie ter dood veroordeeld, werd onder pressie van zijn familie zijn straf omgezet in 10 jaar werkkamp in Siberië, de zoutmijnen nabij Irkutsk. Met vele andere lotgenoten moest hij maandenlang te voet naar Siberië.

Ballingschap buiten Rusland

In 1873 werd hij vrijgelaten, maar mocht niet terug keren naar Litouwen. Hij vertrok naar Parijs waar hij privé-leraar werd. Daar vond hij zijn roeping. In 1877 besluit hij in te treden in de Karmel, die in het Russische deel verboden was. Hij trad in bij de Karmelieten in Linz (Oostenrijk), en nam als naam Broeder Raphael van St Jozef. De naam St Jozef werd toegevoegd naar de naam het Convent St Jozef van Linz. Zijn theologiestudie volgde hij in Győr (Hongarije). In 1882 werd hij in Krakau (toen door Oostenrijk bezet) tot priester gewijd. In 1883 werd hij prior in Cezna. Van daar uit stichtte hij verschillende klooster en scholen, onder meer in Wadowice, de geboorteplaats van Karel Wojtyla, de later Paus Johannes Paulus II. Zijn leven offert hij voor de bekering van Rusland. Zijn vele verdienstengelden niet alleen de Karmel: als zielzorger, maar vooral als biectvader is hij voor velen hun geestelijke leidsman. In 1907 stierf hij te Wadowice aan TBC. Hij ligt inde kapel van het klooster te Czerna begraven. In 1983 werd hij in Krakau door Paus Johannes Paulus II zalig verklaard en in 1991 door hem te Rome heilig verklaard.


Priester Jerzy Popiełuszko (1947-1984)

Op 19 oktober 1984 is de bij de Poolse arbeiders zo populaire priester Jerzy Popiełuszko onderweg van Bydgoszcz naar huis in Warschau ontvoerd, mishandeld, doodgeslagen en in een jutezak, verzwaard met stenen, in een bassin van de Weichsel gedumpt. Wegens zijn werk voor de arbeiders was hij door de Poolse geheime diesnt staatsgevaarlijk verklaard.
Hij werd geboren op 14 september 1947 in het dorpje Okopy Suchowola (Oost Polen). Na het lyceym ging hij in Warschau naar het grootseminarie. In de jaren 1966-1968 werd zijn studie onderbroken voor verplichte militaire dienst. Reeds toen toonde hij zijn moed door onder meer te weigeren zijn H. Rozenkrans te vertrappen. Op 28 mei werd hij door Kardinaal Stefan Wyszyński tot priester gewijd. Wegens zijn slechte gezondheid (suikerziekte) was het normale parochiewerk voor hem te zwaar. Eind 1978 werd hij zielzorger voor ziekenhuispersoneel. Sinds mei 1980 woonde hij in de pastorie van de de St Stanisław Kostka parochie in Warschau-Żoliborz. Tijdens de augustus-stakingen van 1980 werd er om een priester gevraagd voor het opdragen van de H. Mis. Hij bood zich aan om te gaan, niet wetend wat hem te wachten zou staan. Aangekomen bij de fabriekspoort werd hij met grote bijval van de arbeiders welkom geheten. Met hen ontstond er een grote vriendschapsband. Hij las voor hen de H. Mis, hoorde hun biecht en gaf hun geloofsonderricht. Hij was voor hen “hun priester” geworden. Vanaf het bordes aan de voorzijde van zijn parochiekerk vierde priester Jerzy later met duizenden gelovigen maandelijks een H. Mis voor het Vaderland. Zijn motto: “Het is de plicht van de Christen de waarheid te verdeigen, ook wanneer dit alles kost”. Zijn steun aan de arbeiders wan Warschau en elders in Polen en het opkomen voor de geloofsvrijheid is hem uiteindelijk noodlottig geworden. Zijn begrafenis op 3 november 1984 bij zijn parochiekerk door Kardinaal Józef Glemp werd door tienduizenden mensen bijgewoond.

 

Drie munten

Bij gelegenheid van zijn 25ste sterfdag heeft de Poolse Munt  drie gedenkwaardige munten uitegeven, 2zl in koper-nikkel met portret van Jerzy, 10zl zilver, met kaart van Polen en kleine robijn op de plaats waar hij in het water is gedumpt, en 37zl een kleine gouden munt, n.a.v. zijn 37 jarige leeftijd. Daarnaast zijn regelmatig postzegels en briefkaarten met zijn beeltenis door de Poolse post uitgegeven.

 

Zaligverklaring

Te Warschau werd op zondag 6 juni 2010 in het bijzijn van zijn 90-jarige moeder, zijn twee broers en zijn zus priester Jerzy Popiełuszko (1947-1984) gedood uit geloofshaat door de Poolse communistische geheime dienst als martelaar door Aartsbisschop Angelo Amato zalig gesproken. Deze bijzondere gebeurtenis werd bijgewoond door meerdere kardinalen, circa 130 bisschoppen, meer dan 2000 priesters, waaronder zijn oude klasgenoten, en circa 250.000 gelovigen. De zalige Jerzy (=Georg, patroon St Joris) stond dag en nacht klaar om de mensen bij te staan, een waarachtig voorbeeld voor de huidige generatie priesters.